De Nederlandse woningmarkt staat aan de vooravond van een significante verduurzamingsuitdaging. De nationale ambitie om in het jaar 2050 zeven miljoen woningen gasvrij te maken, vormt niet alleen een uitdaging op sociaal en maatschappelijk vlak, maar biedt ook kansen voor de bankensector. De financiering van energiebesparende maatregelen is inmiddels geen niche meer, maar een kernactiviteit voor banken.
Echter, dit thema draagt zowel kansen als risico’s met zich mee voor hypotheekverstrekkers. Banken die strategisch inspelen op duurzame huisfinanciering kunnen zich onderscheiden, maar moeten ook waakzaam zijn voor risico’s die betrekking hebben op betaalbaarheid, politiek-regulatoire druk en waardedaling van onroerend goed.
In de afgelopen jaren hebben Nederlandse huishoudens in grote getalen geïnvesteerd in de verduurzaming van hun woning. Onderzoek wijst uit dat ongeveer 4,5 miljoen huishoudens recentelijk minstens één maatregel hebben getroffen om hun woning duurzamer te maken. Dit resulteerde in een totale investering van miljarden euro’s per jaar.
Banken spelen hierop in door de leencapaciteit te verruimen. Sinds 1 januari 2024 is de maximale hypotheekruimte gekoppeld aan het energielabel van de woning. Hierdoor kunnen kopers van beter geïsoleerde woningen meer lenen, terwijl huizen met een lager energielabel ook de optie krijgen om een aanzienlijk hoger bedrag extra te lenen voor verduurzaming.
Banken kunnen klanten actief informeren over de mogelijkheden om hun woning te verduurzamen. Denk hierbij aan isolatie, de installatie van een warmtepomp of zonnepanelen. Hier liggen meerdere voordelen voor banken, zoals het creëren van nieuwe producten en inkomstenstromen, het inspelen op een groeiende klantbehoefte en het versterken van hun imago als toekomstgerichte financieringspartner.
Ondanks de bestaande kansen, moeten banken alert zijn op de potentiële risico’s. Ten eerste is er de kwestie van betaalbaarheid voor de consument. Huiseigenaren met een laag energielabel lopen een hoger risico op stijgende energiekosten en daarmee een zwakkere financiële positie.
Daarnaast zijn er risico’s verbonden aan de waardering van onroerend goed. Woningen die achterlopen in verduurzaming kunnen in de toekomst minder waardevast zijn, vooral als de normen voor energielabels strenger worden.
Ten slotte is er het transitierisico: bij versnelde veranderingen in wet- en regelgeving met betrekking tot duurzaamheid, energielabels of CO2-verplichtingen, kan dit gevolgen hebben voor de hypotheekportefeuille van banken.
Voor hypotheekverstrekkers vereist dit dat productportfolio’s, acceptatieprocedures en risicomodellen worden aangepast om duurzaam wonen structureel te verankeren.
Daarnaast moet er rekening worden gehouden met transparantie- en rapportageverplichtingen op hun woningportefeuilles. Inzicht in energielabels, investeringsbehoeften en transitierisico’s wordt steeds belangrijker.
Politieke besluitvorming kan directe invloed hebben op het tempo en de risico’s van de duurzame transitie van de woningmarkt. Het afschaffen van de salderingsregeling voor zonnepanelen in 2027 en het ontbreken van een duidelijke einddatum voor de gasaansluiting kunnen bijvoorbeeld de bereidheid van huiseigenaren om te investeren belemmeren.
Voor banken ligt er een duidelijke kans om verduurzaming serieus te nemen binnen de hypotheekmarkt. Niet louter als marketinginstrument, maar als een integraal onderdeel van product-, risicomanagement- en portefeuillestrategie. Het is van groot belang om alert te blijven op de risico’s inzake betaalbaarheid, waardevastheid van vastgoed en transitiedruk.
Door verduurzaming via hypotheken als een kernstrategie te zien, kunnen banken bijdragen aan zowel maatschappelijk rendement als financieel gezond groeipotentieel in de woningmarkt.
