De brede welvaart in Nederland heeft het hoogste niveau bereikt sinds de metingen begonnen in 2003. Na een dip tijdens de coronajaren, is de groei voornamelijk te danken aan stijgende inkomens en een toename van tevredenheid. Echter, aspecten zoals woontevredenheid, sociale interacties en maatschappelijke betrokkenheid blijven achter. Meer nog, regionale verschillen blijven aanzienlijk en dreigen in sommige gebieden te vergroten. Dit blijkt uit de recente Brede Welvaartindicator van RaboResearch en de Universiteit Utrecht.
Brede welvaart betreft de mate waarin mensen het leven leiden dat zij waarderen. “Dit gaat verder dan financiële welvaart, die we gewoonlijk meten met het huishoudinkomen of de relatieve omvang van de economie”, aldus Auke Rijpma, universitair docent Economische en Sociale Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Daarom combineren RaboResearch en de Universiteit Utrecht sinds 2016 elf dimensies in één indicator, de BWI. Dit omvat alles van inkomen en gezondheid tot veiligheid, huisvesting en sociale contacten.
Tussen 2020 en 2022 nam de brede welvaart af, voornamelijk door de invloed van de pandemie op sociale aspecten zoals welzijn en contacten. Daarna volgde een herstel, vooral gedragen door economische dimensies, met inkomen als hoofdfactor. Nu bevindt de indicator zich op het hoogste niveau sinds de eerste meting.
Vanaf 2022 is de stijging voornamelijk te wijten aan hogere inkomens, en zijn Nederlanders gemiddeld gelukkiger en tevredener met hun leven. Echter, in het afgelopen jaar is er weinig verandering geweest in het totale niveau. Volgens Rijpma zijn er wel verbeteringen in inkomen en werk-privébalans, maar hebben mensen minder sociale contacten en zijn ze minder maatschappelijk betrokken. De milieudimensie is zelfs achteruitgegaan door een toename van fijnstof in de lucht.
Op regionaal niveau zijn er grote verschillen in brede welvaart. De hoogste scores worden gemeten in Oost-Zuid-Holland, Zuidwest-Friesland en de Achterhoek. Deze gebieden scoren bovengemiddeld op meerdere dimensies, waaronder welzijn, veiligheid en inkomen. Daarentegen blijven grootstedelijke gebieden zoals Groot-Amsterdam en Groot-Rijnmond achter, voornamelijk door lagere scores op huisvesting, veiligheid en werk-privébalans.
Niet alleen het niveau, maar ook de ontwikkelingen verschillen per regio. Terwijl sommige toonaangevende gebieden zoals Oost-Zuid-Holland en Zuidwest-Friesland sneller groeien, is de groei in achterblijvende gebieden zoals Groot-Amsterdam en Groot-Rijnmond vrijwel tot stilstand gekomen. Daarom nemen de verschillen tussen deze regio’s toe.
